ECLI:NL:RVS:2009:BK1387

Raad van State

Datum uitspraak
28 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200902442/1/M2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.M. Boll
  • F.B. van der Maesen de Sombreff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 8.10 Wet milieubeheerArt. 20.8 Wet milieubeheerWoningwet
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen revisievergunning kalvermesterij en paardenhouderij

Het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet verleende op 24 februari 2009 een revisievergunning voor een kalvermesterij en paardenhouderij. Deze vergunning werd ter inzage gelegd en hiertegen stelde appellant beroep in bij de Raad van State.

Appellant voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat een oprichtingsvergunning had moeten worden verleend in plaats van een revisievergunning, dat de coördinatieplicht met de Woningwet niet was nageleefd, dat de vergunning in strijd zou zijn met het bestemmingsplan, en dat de huisvesting van paarden en pony's niet diervriendelijk zou zijn. Ook werd gesteld dat voorschriften van de eerdere vergunning niet werden nageleefd en dat uitbreiding van de inrichting niet toegestaan zou zijn vanwege stank- en ammoniakemissie.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de revisievergunning terecht was verleend omdat het om een verandering en uitbreiding ging, waarvoor een revisievergunning passend is. De milieuvergunning kan voorafgaand aan een bouwvergunning worden verleend, maar wordt pas van kracht na de bouwvergunning. Er was geen strijd met het bestemmingsplan en de bezwaren over diervriendelijke huisvesting en niet-naleving van voorschriften hadden geen betrekking op de rechtmatigheid van de vergunning. Nieuwe bezwaren over stank en ammoniak werden niet in de procedure ingebracht en bleven buiten beschouwing.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de revisievergunning is ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

200902442/1/M2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een kalvermesterij en paardenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 maart 2009 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2009, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door ing. A. Lowijs, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] ter zitting als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college vergunning verleend voor het houden van 454 vleeskalveren, 2 volwassen paarden, 2 volwassen pony's en 2 pony's in opfok.
2.2. [appellant] betoogt dat het college een oprichtingsvergunning had moeten verlenen in plaats van een revisievergunning. Hij voert daartoe aan dat de thans voor de inrichting geldende vergunning niet voorziet in het houden van paarden en pony's.
2.2.1. Bij besluit van 24 november 2000 is voor de inrichting een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer verleend. Deze vergunning gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De vergunningaanvraag ziet op een verandering en uitbreiding van de inrichting ten opzichte van die vergunning. In een dergelijke situatie moet, zoals in dit geval ook is gedaan, een veranderings- of een revisievergunning worden aangevraagd en niet een oprichtingsvergunning. De omstandigheid dat [vergunninghouder] niet eerder bedrijfsmatig paarden en pony's heeft gehouden, maakt dat niet anders. Er bestond derhalve in zoverre geen aanleiding de vergunningaanvraag niet te behandelen. De beroepsgrond faalt.
2.3. [appellant] voert aan dat [vergunninghouder] ten onrechte niet gelijktijdig met de aanvraag om revisievergunning tevens een aanvraag om bouwvergunning in het kader van de Woningwet heeft aangevraagd. Op deze manier wordt niet voldaan aan de coördinatieplicht, aldus [appellant].
2.3.1. Ingevolge artikel 20.8 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, wordt de milieuvergunning, in gevallen waarin deze betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting dat tevens als bouwen in de zin van de Woningwet is aan te merken, niet eerder van kracht dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.
Deze bepaling verzet zich er niet tegen dat een milieuvergunning wordt afgegeven voordat een bouwvergunning is verleend. Van de milieuvergunning kan evenwel pas gebruik worden gemaakt nadat deze - na het verlenen van de bouwvergunning - van kracht is geworden. De beroepsgrond faalt.
2.4. [appellant] voert aan dat het college de krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning had moeten weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan.
2.4.1. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze bepaling bij wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 297) met terugwerkende kracht tot 1 juli 2008 is gewijzigd, bepaalt, voor zover hier van belang, dat de vergunning tevens kan worden geweigerd ingeval door verlening van de vergunning strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.
2.4.2. Ter zitting is gebleken dat de op het terrein van de inrichting te bouwen stallen en paddock vallen binnen het daartoe bestemde bouwblok. Van strijdigheid met het bestemmingsplan is niet gebleken. De beroepsgrond faalt.
2.5. [appellant] voert aan dat het college de vergunning had moeten weigeren omdat er binnen de inrichting niet voldoende ruimte aanwezig is om de paarden en pony's op een diervriendelijke manier te huisvesten.
Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft reeds om die reden geen doel. De beroepsgrond faalt.
2.6. [appellant] voert aan dat [vergunninghouder] voorschriften die aan de thans voor de inrichting geldende vergunning zijn verbonden niet naleeft.
Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De beroepsgrond faalt.
2.7. Voor zover ter zitting is betoogd dat de inrichting, gelijk een nabij gelegen kalvermesterij, niet mag uitbreiden in verband met stankhinder en ammoniakemissie, overweegt de Afdeling dat deze grond niet eerder in de procedure is aangevoerd en derhalve in verband met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven.
2.8. Het beroep is ongegrond
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. Van der Maesen de Sombreff
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2009
190-570.