Uitspraak
200505028/1), vormt een door een politieagent op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in het algemeen voldoende grondslag voor het standpunt dat sprake is van een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994.
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het CBR om hem te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid, naar aanleiding van een schriftelijke melding van de politie over vermoedens van onvoldoende rijvaardigheid.
Het CBR baseerde het besluit op een snelheidsovertreding waarbij appellant met 181 km/u reed waar 120 km/u is toegestaan, gecombineerd met gevaarlijk rijgedrag zoals abrupt remmen en te kort volgen van medeweggebruikers. Appellant voerde aan niet de bestuurder te zijn geweest, maar de Raad van State hechtte meer waarde aan de verklaring van de verbalisant en verwierp de later overgelegde getuigenverklaringen.
Verder stelde appellant dat de maatregel onevenredig was en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het slechts om één incident ging en niet alle overtreders een maatregel kregen. De Raad oordeelde dat een eenmalige overtreding voldoende is voor het vermoeden en dat het CBR verplicht is de maatregel op te leggen bij ontvangst van een geldige melding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot medewerking aan het rijvaardigheidsonderzoek bevestigd.