Uitspraak
200609323/1) gold dientengevolge geen verbod op grond van die bepaling om in dit water ligplaats in te nemen. Het college was derhalve niet bevoegd [appellanten] toestemming te verlenen of onthouden voor het innemen van de door hun gewenste ligplaats.
200609323/1, waarin niet was verzocht om een vergunning voor een concreet geduide ligplaats en het college slechts te kennen had gegeven geen specifiek beleid te voeren met betrekking tot het innemen van ligplaatsen en daartoe geen geschikte locaties aanwezig te achten. Anders dan die informatieve reactie is in de thans voorliggende zaak de brief van 17 maart 2006 gericht op het hiervoor omschreven rechtsgevolg. Nu ook aan de overige in artikel 1:3, eerste lid en tweede lid, van de Awb neergelegde criteria wordt voldaan, dient de brief als besluit te worden aangemerkt. Het college heeft het hiertegen gemaakte bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
200604141/1) is niet gebleken dat de gemachtigde van [appellanten] als beroepsmatig rechtsbijstandverlener, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, kan worden beschouwd. Geen aanleiding bestaat thans anders te oordelen.