Uitspraak
200804187/1overwogen dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat artikel 20, vijfde lid, van het Bro in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Bro voor de permanente bewoning van de op het perceel aanwezige recreatiewoning door [appellant] en het college daarom terecht bij besluit van 20 juli 2007 heeft geweigerd vrijstelling daarvoor te verlenen. Concreet zicht op legalisering ten tijde van het besluit van 21 augustus 2007 heeft de rechtbank dan ook terecht niet aangenomen.
200606995/1) is het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, voor zodanig oordeel onvoldoende. Nu het college nooit te kennen heeft gegeven dat niet tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning zou worden opgetreden, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de rechtszekerheid zich tegen het opleggen van de last verzette.