Uitspraak
200603060/1heeft de Afdeling het door het college daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk wees het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de bouw van een twee-onder-een-kapwoning af, omdat deze in afwijking van de verleende bouwvergunning was gebouwd. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die het bezwaar deels gegrond verklaarde en het college opdroeg een nieuwe beslissing te nemen. Na heroverweging handhaafde het college het besluit tot afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant vervolgens ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de woning niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan, met name wat betreft hoogte, aantal bouwlagen en afstand tot de perceelsgrens. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de woning voldoet aan de planvoorschriften, onder meer omdat de souterrains als onderbouw en niet als bouwlaag worden aangemerkt, en dat de bouwhoogte binnen de toegestane maximale hoogte blijft. Ook was er geen afwijking van de verleende bouwvergunning wat betreft de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat er concreet zicht bestond op legalisatie van de woning en dat het college het verzoek om handhaving terecht had afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het handhavingsverzoek bevestigd.