Uitspraak
200802380/1behandeld op 27 oktober 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [appellante], bijgestaan door mr. J. Jonk, advocaat te Nieuwegein, zijn verschenen.
200802380/1.
200103657/1; www.raadvanstate.nl) is de vraag of een perceel al dan niet binnen de bebouwde kom ligt van feitelijke aard. Niet de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft, is bepalend, doch de aard van de omgeving. Van belang is waar de bebouwing feitelijk (nagenoeg) ophoudt. Uit de plankaart van het vigerende bestemmingsplan blijkt dat het perceel aan de rand van de bebouwde kom is gesitueerd. De door [appellante] gestelde omstandigheden dat het perceel niet ver van een beschermd natuurgebied is gelegen, dat het in een vorig bestemmingsplan bestemd was voor onder meer agrarische doeleinden en dat het achtererf door middel van een recht van overpad is ontsloten, geven, gelet op de omstandigheid dat de bebouwing van de dorpskern pas achter het perceel feitelijk ophoudt, geen aanleiding voor een ander oordeel.