Uitspraak
200800364/1te behandelen.
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellante] een boete van €24.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid zouden hebben verricht. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, maar de Raad van State stelde in hoger beroep vast dat de vreemdelingen de werkzaamheden als zelfstandigen en niet als werknemers van [appellante] hadden uitgevoerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdelingen hun werkzaamheden onder eigen verantwoordelijkheid verrichtten, met eigen gereedschap, eigen inkoop van materialen en meerdere opdrachtgevers, en dat zij in het kader van de vrijheid van dienstverlening binnen de Europese Unie handelden. De staatssecretaris had ten onrechte aangenomen dat er sprake was van een gezagsverhouding en dat tewerkstellingsvergunningen vereist waren.
De Raad van State vernietigde daarom het besluit van 14 november 2006 en het boetebesluit van 9 juni 2006, verklaarde het hoger beroep gegrond en bepaalde dat het griffierecht aan [appellante] wordt vergoed. Hiermee werd de boete onterecht opgelegd en komt deze te vervallen.
Uitkomst: De boete van €24.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vernietigd omdat de vreemdelingen als zelfstandigen en niet als werknemers werkten.