Uitspraak
200410184/1en 14 februari 2007 in zaak nr.
200603920/1en 5 december 2007 in zaak nr.
200702720/1) dient het in artikel 2, aanhef en onder e, onderdeel 2º, onder a, van het Bblb gestelde kenmerk aldus te worden uitgelegd dat een functionele relatie moet bestaan tussen de erf- of perceelsafscheiding en het op dat erf of perceel staande gebouw. Uit voormelde uitspraken volgt voorts dat bij de beoordeling of sprake is van een functionele relatie tussen de terreinafscheiding en de woning grote, zo niet doorslaggevende betekenis toekomt aan de voor het perceel geldende planologische regeling. Als maatstaf bij de beantwoording van de vraag of deze bepaling van toepassing is, dient derhalve te gelden of van een functionele relatie in planologische zin sprake is. Aan de wetsgeschiedenis bij het Bblb, die [wederpartij] aanhaalt en die zijns inziens aanleiding dient te geven voor het hanteren van een andere maatstaf bij de uitleg van voormelde bepaling, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Daargelaten dat uit de enkele visualisering van de zogenoemde voor- en achterkantbenadering niet kan worden afgeleid dat de wetgever het geldende bestemmingsplan niet relevant acht, valt niet in te zien dat de wetgever de gevolgen die met de door [wederpartij] voorgestane uitleg gepaard gaan, zoals die ook uit deze zaak blijken, heeft beoogd. Een en ander zou er immers toe leiden dat omvangrijke percelen in het buitengebied vergunningvrij met een 2 m hoog hekwerk kunnen worden omheind, hetgeen niet in overeenstemming moet worden geacht met de kennelijke beoogde strekking van het Bblb, dat alleen ziet op bouwen van beperkte betekenis. Vaststaat dat de terreinafscheiding is geplaatst rond een weiland waarop ingevolge het bestemmingsplan "Natuurgebieden" een andere bestemming rust dan op de grond waarop de woning van [wederpartij] staat. Het weiland wordt in overeenstemming met de bestemming "Gebied van landschappelijke waarde met agrarisch gebruik" feitelijk gebruikt als grasland. Voorts mag deze grond ingevolge artikel 8 van Pro de planvoorschriften niet worden bebouwd. De woning staat op gronden waaraan volgens dat bestemmingsplan de bestemming "Landgoed" is toegekend. Nu tussen de woning en de rond het weiland geplaatste terreinafscheiding geen functionele relatie in vorenbedoelde zin kan worden aangenomen, kan hier niet worden gesproken van een perceel waarop reeds een gebouw staat als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, onderdeel 2º, onder a, van het Bblb, ook al wordt met het plaatsen van de terreinafscheiding beoogd de woning tegen ongewenste indringers te beschermen. Gebruik voor dat doel is niet overeenkomstig de bestemming van het weiland. Het plaatsen van de terreinafscheiding kan dientengevolge niet als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet worden aangemerkt. Hiervoor is een bouwvergunning vereist. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet hierop slaagt het betoog.
200702720/1) strekt dat recht niet zover dat in iedere beperking van de mogelijkheid een afrastering aan te brengen, ongeacht de maat en vormgeving en het doel van de afrastering, een aantasting van dit recht kan worden gezien. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het college in redelijkheid aanleiding hadden moeten geven van handhavend optreden af te zien.