ECLI:NL:RVS:2008:BD6143
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling wegens overschrijding beslistermijn vreemdelingenrecht
De vreemdeling werd op 15 april 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling op 20 mei 2008 ongegrond, waarbij het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het onderzoek door de rechtbank op 28 april 2008 werd gesloten, maar dat de uitspraak pas op 20 mei 2008 werd gedaan. Dit betekende een overschrijding van de in artikel 94, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gestelde termijn. Gezien het belang van een spoedige beslissing en het ontbreken van zwaarwegende omstandigheden was er geen sprake van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, EVRM.
Daarom werd de inbewaringstelling met ingang van 5 mei 2008 onrechtmatig verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en aan hem een schadevergoeding van €1.470 toegekend. Tevens werden proceskosten van €1.127 toegewezen aan de vreemdeling.
De staatssecretaris van Justitie werd veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen. De inbewaringstelling werd op 25 mei 2008 opgeheven, waardoor een bevel tot invrijheidsstelling achterwege kon blijven.
Uitkomst: De inbewaringstelling is onrechtmatig verklaard wegens overschrijding van de beslistermijn en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend.