Uitspraak
200703634/1), onmiddellijke werking heeft, heeft het dagelijks bestuur ten onrechte het project waarvoor vrijstelling is verleend beoordeeld aan de hand van de in het Blk 2005 opgenomen luchtkwaliteiteisen. Het beroep van de vereniging tegen het besluit van 11 maart 2008 dient vanwege het vorenstaande gegrond te worden verklaard en dit besluit dient te worden vernietigd. Nu in bijlage 2 van de Wet milieubeheer dezelfde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) als in het Blk 2005 worden gesteld, is er echter reden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
200604662/1), is het gebruik van deze waarden als de standaard voor achtergrondconcentraties algemeen aanvaard. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het RIVM aangeleverde achtergrondwaarden niet kunnen worden gehanteerd. Daarbij wordt overwogen dat in het IBA-rapport van 7 maart 2008 de gevolgen van de luchtkwaliteit zijn berekend met behulp van het rekenmodel CAR II versie 6.1.1 wat verklaart dat de resultaten van de berekeningen van de luchtkwaliteit in de rapporten van elkaar verschillen.
200302949/1, Gst. 2004, 7202, 30) heeft de wetgever in artikel 19, eerste lid, van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van een geldend bestemmingsplan voor een project. Voor de toepassing van deze bevoegdheid geldt de eis dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder dient het vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO naast de ruimtelijke onderbouwing, een beschrijving van het betrokken project en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen te bevatten. Aan deze eisen wordt voldaan.
200409211/1en 13 juli 2005 in zaak nr.
200408576/1over onderscheidenlijk de verleende vergunning voor de kap van bomen in de omgeving van de Bijlmerdreef en de 's-Gravendijkdreef en de verleende vergunning voor het uitvoeren van ontgrondingen op voornoemde dreven alsmede de Geerdinkhofweg, reeds beoordeeld. De Afdeling ziet, mede gezien de aan het besluit op bezwaar ten grondslag liggende stukken, waaronder de weerlegging van diverse door belanghebbenden ingediende zienswijzen tegen het voornemen tot vrijstelling alsmede de ten behoeve van de vrijstelling opgestelde ruimtelijke onderbouwing, in het kader van het voorliggende besluit op bezwaar geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.