Uitspraak
200304332/1) goedkeuring onthouden, zonder dat daarbij een oordeel is gegeven over de inhoud van het MER. Wel is in die uitspraak geoordeeld dat het plan niet was vastgesteld in strijd met artikel 7.16 van de Wet milieubeheer.
200502510/1), dient de raad met het oog op artikel 7.35, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan waarvoor een MER is gemaakt te onderzoeken of, en in hoeverre, bepaalde in het MER genoemde maatregelen noodzakelijk zijn ter beperking, dan wel ter compensatie van de nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit. Voor zover de raad na een dergelijke inventarisatie tot het oordeel komt dat bepaalde maatregelen niet noodzakelijk zijn ter beperking, dan wel ter compensatie van de nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit, behoeven deze niet dwingend in het bestemmingsplan te worden voorgeschreven. Hetzelfde geldt voor maatregelen ten aanzien waarvan reeds op een andere wijze is verzekerd dat deze zullen worden getroffen.
200501574/1) volgens hen bepaald dat ook een tijdelijke verslechtering van de luchtkwaliteit bij de toetsing aan het Blk 2005 in acht genomen moet worden. Verder stellen zij dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de concentratie stikstofdioxide en de concentratie zwevende deeltjes (PM10) in ieder geval moeten worden geprognosticeerd op het moment waarop een luchtkwaliteitbeïnvloedende activiteit zal worden aangelegd. Nu reeds een aanvang is genomen met de woningbouw door middel van vrijstellingsprocedures had het luchtkwaliteitsonderzoek ook voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 moeten plaatsvinden.