ECLI:NL:RVS:2008:BC2315
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete voor illegale tewerkstelling van vreemdeling
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan de wederpartij een boete op wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door een vreemdeling. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het ondervragingsrecht uit artikel 6 EVRM Pro was geschonden, omdat de minister geen inspanningen hoefde te verrichten om het verblijfadres van de vreemdeling te achterhalen nadat deze was uitgezet. Verder stelde de Raad dat het boeterapport en de verklaring van de vreemdeling voldoende bewijs boden dat de vreemdeling arbeid had verricht binnen de onderneming van de wederpartij.
De Raad bevestigde dat instemming of wetenschap van de arbeid niet vereist is voor de kwalificatie als werkgever onder de Wet arbeid vreemdelingen. Het enkel mogelijk maken en niet verhinderen van arbeid wordt als het laten verrichten van arbeid aangemerkt. Gezien het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning handelde de wederpartij in strijd met de wet. Het beroep van de wederpartij werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de wederpartij wordt ongegrond verklaard en de boete wegens illegale tewerkstelling gehandhaafd.