Uitspraak
200604022/1en 200605316/1, artikel 4:49 niet Pro van toepassing is omdat artikel 2.9 van de WHW een uitputtende regeling geeft voor lagere vaststelling van de rijksbijdrage.
Raad van State
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de rijksbijdragen aan Hogeschool Zuyd voor de jaren 1999 tot en met 2003 verlaagd en teruggevorderd wegens onjuiste bekostiging. Dit volgde uit onderzoek naar de inschrijving van studenten die zich bij Hogeschool Zuyd inschreven, maar het onderwijs ontvingen aan Hogeschool Brabant, wat in strijd was met de WHW en het bekostigingsbesluit.
Hogeschool Zuyd stelde dat studenten een inschrijvingsrecht hebben en dat de bekostiging op basis van inschrijvingen moet plaatsvinden. De Raad van State oordeelde echter dat de constructie waarbij studenten zich inschreven bij Hogeschool Zuyd zonder onderwijs te volgen daar niet toe leidt en dat Hogeschool Zuyd onterecht bekostiging heeft ontvangen.
Verder werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht de bevoegdheid had om de rijksbijdragen te wijzigen op grond van artikel 4:49 Awb Pro, ook al bestaat er een regeling in artikel 2.9 WHW. De terugvordering is niet verjaard en de besluiten zijn rechtmatig. De hoger beroepen van Hogeschool Zuyd zijn ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de terugvordering van onterecht ontvangen rijksbijdragen door Hogeschool Zuyd wegens onjuiste inschrijvingen.