ECLI:NL:RVS:2007:BB6842

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200705476/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 44 Wet op de Raad van StateArt. 43 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep verblijfsvergunning regulier

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner, welke door de minister is afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij op grond van een geprivilegieerde status in Nederland verbleef en daardoor geen procesbelang zou hebben.

De Raad van State oordeelt dat verblijf op grond van een geprivilegieerde status geen rechtmatig verblijf is volgens artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, en dat het niet valt uit te sluiten dat appellante met rechtmatig verblijf in een gunstiger positie zou verkeren. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht.

Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen. De Raad van State bepaalt tevens dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald en dat de rechtbank over de proceskosten zal beslissen.

De zaak betreft de toepassing van het procesbelang in het vreemdelingenrecht en de uitleg van rechtmatig verblijf onder de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het vonnis in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

200705476/1.
Datum uitspraak: 17 oktober 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[Appellante],
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/34132 van de rechtbank 's Gravenhage van 9 juli 2007 in het geding tussen:
appellante
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 juli 2007, verzonden op 10 juli 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 augustus 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt appellante dat de rechtbank haar beroep tegen het besluit van 26 juni 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, met als motivering dat niet valt in te zien dat appellante, nu zij in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status, in een gunstiger positie zou komen te verkeren, indien de door haar aangevraagde verblijfsvergunning regulier met als doel 'verblijf bij partner' zou worden verleend. Appellante voert aan dat haar geprivilegieerde status onzeker is, aangezien deze afhankelijk is van het behouden van haar baan. Zij wil daarom een permanente verblijfsstatus op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) krijgen, haar relatie met haar partner in Nederland voortzetten, de mogelijkheid krijgen werkzaamheden voor derden uit te voeren en de Nederlandse nationaliteit verkrijgen.
2.1.1. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2005 in zaak no. 200503288/1 (JV 2005/453) volgt, is verblijf op grond van een geprivilegieerde status geen rechtmatig verblijf in de zin van de Vw 2000, aangezien deze status niet in de uitputtende opsomming van artikel 8 van Pro deze wet wordt vermeld als grond voor of omstandigheid waaronder sprake is van rechtmatig verblijf.
2.1.2. Nu niet valt uit te sluiten dat appellante, indien zij rechtmatig verblijf in de zin van de Vw 2000 zou hebben, in een gunstiger positie zou geraken, heeft de rechtbank het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. De grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen.
2.3. De Afdeling zal de beslissing omtrent de proceskosten in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank die ook over deze proceskosten zal dienen te oordelen.
2.4. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juli 2007 in zaak no. AWB 06/34132;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;
V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter
w.g. Zwemstra
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2007
91-506.
Verzonden: 17 oktober 2007
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak