ECLI:NL:RVS:2007:BB2368
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning op grond van besluit nr. 1/80 ondanks legale arbeid
Appellant verzocht om verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van besluit nr. 1/80, stellende dat hij legale arbeid had verricht van 9 april 2001 tot 9 april 2002 en dat zijn arbeidscontract bij A.B.T. met een jaar was verlengd. Hij voerde aan dat hij sindsdien bij verschillende werkgevers werkzaam was en aanspraak maakte op vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
De rechtbank oordeelde echter dat appellant vóór het einde van de periode van drie jaar meerdere malen van werkgever was veranderd en dat er geen bewijs was dat hij gedurende de periode 4 juni 2003 tot en met 9 april 2004 zijn werkzaamheden had verricht met een geldige tewerkstellingsvergunning. Hierdoor ontbrak het vereiste van drie jaar onafgebroken legale arbeid.
Appellant stelde verder dat hij op grond van artikel 6 van Pro besluit nr. 1/80 een rechtstreeks werkend recht op voortgezet verblijf had en dat het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning hem niet kon worden tegengeworpen, hetgeen door de Raad van State werd verworpen. Ook het beroep op het Europees Vestigingsverdrag leidde niet tot een ander oordeel, omdat appellant niet twee jaar rechtmatig verblijf had gehad.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunning in stand bleef.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van drie jaar legale arbeid.