ECLI:NL:RVS:2007:BA5221
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- C.H.M. van Altena
- G.J. van Muijen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking exploitatievergunning horeca wegens onjuiste effectueringstermijn
De burgemeester van Rotterdam trok op 21 juni 2006 de exploitatievergunning van een horecagelegenheid voor drie maanden in wegens het herhaaldelijk tewerkstellen van illegaal verblijvende personen. De exploitanten maakten bezwaar tegen de intrekking, dat door de burgemeester werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de exploitanten gegrond omdat de burgemeester geen begunstigingstermijn had gehanteerd voor de onmiddellijke intrekking.
De burgemeester stelde dat een gedragslijn bestaat waarbij intrekkingsbesluiten onmiddellijk in werking treden, wat in de horecasector algemeen bekend is. De Raad van State oordeelde dat de intrekking geen bestuursdwang betreft en dat de exploitanten zelf zorg moeten dragen voor het staken van de exploitatie. De burgemeester mocht de onmiddellijke intrekking hanteren omdat het vertrouwen in de exploitanten was geschaad en het belang van de openbare orde dit vereiste.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de exploitanten ongegrond. Tevens werd het besluit van 15 december 2006, dat de intrekking in stand hield, vernietigd omdat de grondslag daarvan was komen te vervallen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de exploitanten tegen de intrekking van de exploitatievergunning ongegrond, waardoor de onmiddellijke intrekking in stand blijft.