ECLI:NL:RVS:2007:BA2998
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitzetting vreemdelingen in verband met gezondheid en artikel 3 EVRM
Appellanten verzochten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om hun uitzetting achterwege te laten vanwege hun gezondheidstoestand. De korpschef van de regiopolitie Twente en de minister wezen dit verzoek af, waarna de rechtbank ’s-Gravenhage aanvankelijk het beroep van appellanten gegrond verklaarde. De minister nam daarop nieuwe besluiten die opnieuw werden afgewezen, waarna de rechtbank deze afwijzing bevestigde. Appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat artikel 64 Vw Pro 2000 toepassing vindt indien daadwerkelijke uitzetting op handen is en dat het bestuursorgaan tevens moet toetsen of uitzetting verenigbaar is met artikel 3 EVRM Pro, dat foltering en onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat uitzetting niet is toegestaan indien een reëel risico bestaat op een schending van artikel 3 EVRM Pro door gebrek aan medische voorzieningen in het land van herkomst.
In deze zaak oordeelde de Raad dat de minister terecht heeft geoordeeld dat behandeling mogelijk is in het land van herkomst en dat de gezondheidstoestand van appellanten geen aanleiding geeft tot het achterwege laten van uitzetting. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van medische omstandigheden en mensenrechten bij uitzettingsbesluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitzetting kan doorgaan omdat behandeling in het land van herkomst mogelijk is.