ECLI:NL:RVS:2007:BA2369
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- S.J.E. Horstink von Meyenfeldt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en gehoor na inbewaringstelling
Appellant werd op 28 januari 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld en gehoord met een tolk Russisch, maar het gehoor werd afgebroken wegens communicatieproblemen. Een tweede gehoor met een Georgische tolk vond 38 uur en 50 minuten later plaats. De rechtbank oordeelde dat het gehoor correct was afgenomen en wees het beroep en schadevergoeding af.
De Raad van State constateert dat het eerste gehoor niet voldeed aan artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 vanwege het afgebroken gesprek. Het tweede gehoor vond echter niet spoedig genoeg plaats volgens de wettelijke norm. Desondanks is de bewaring niet onrechtmatig omdat appellant tijdig geïnformeerd was, er gegronde redenen voor de bewaring waren en de belangen van de staat zwaarwegend zijn.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de belangen van de staat zwaarder wegen dan het gebrek in de procedure, waardoor het hoger beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring en wijst het verzoek om schadevergoeding af.