ECLI:NL:RVS:2007:BA1807
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning wegens ontbreken gemeenschapsonderdaanstatus
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister is afgewezen omdat zij niet als gemeenschapsonderdaan kon worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit standpunt bevestigd en het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Appellante verbleef in 2004 één maand met haar echtgenoot in Frankrijk, maar heeft niet aangetoond dat haar echtgenoot gedurende die periode reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte, waardoor hij niet als werknemer in de zin van het EG-Verdrag kon worden beschouwd. Daarom werd aangenomen dat hij slechts gebruik maakte van het kortdurend verblijfsrecht volgens richtlijn 2004/38/EG. Verder is vastgesteld dat appellante niet heeft beoogd een duurzaam verblijf in Frankrijk te realiseren, mede omdat zij niet heeft gereageerd op uitnodigingen van Franse autoriteiten voor haar verblijfsvergunningaanvraag.
Gezien deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat appellante aanspraak kan maken op rechtmatig verblijf voor lange duur of vrijstelling van de mvv-plicht. De Raad van State ziet geen aanleiding om de prejudiciële beslissing van het Hof af te wachten, omdat de feiten in deze zaak wezenlijk verschillen van eerdere zaken. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.