ECLI:NL:RVS:2005:AT9775
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over verblijfsrecht gezinsleden van gemeenschapsonderdaan bij terugkeer naar lidstaat
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie aan een vreemdeling, gezinslid van een Nederlandse gemeenschapsonderdaan die in het Verenigd Koninkrijk had verbleven en vervolgens naar Nederland was teruggekeerd. De vreemdeling had in het Verenigd Koninkrijk een verblijfsrecht op grond van artikel 10 van Pro Verordening 1612/68, maar beschikte niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor Nederland.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de referent, de Nederlandse gemeenschapsonderdaan, bij terugkeer in Nederland geen reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte en niet als werkzoekende kon worden aangemerkt, waardoor de vreemdeling niet als gezinslid van een gemeenschapsonderdaan kon worden beschouwd. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het recht op toegang en verblijf niet verloren gaat door de enkele terugkeer naar Nederland.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de vreemdeling voorafgaand aan haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk geen wettig verblijf in Nederland had en dat het Gemeenschapsrecht niet zonder nationale toetsing tot toelating in Nederland leidt. De Raad van State constateerde dat het Gemeenschapsrecht geen eenduidig antwoord geeft op de vraag of en onder welke voorwaarden de lidstaat van herkomst het verblijfsrecht van gezinsleden moet erkennen bij terugkeer van de gemeenschapsonderdaan.
Daarom heeft de Raad van State prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de toepassing van artikel 10 van Pro Verordening 1612/68, de beoordeling van het verblijfsrecht van gezinsleden zonder voorafgaand nationaal verblijfsrecht, de status van de referent als werkzoekende of economisch niet-actieve, en de betekenis van het gebruik van het recht op vrij verkeer door de gemeenschapsonderdaan.
Uitkomst: Behandeling hoger beroep geschorst en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.