Uitspraak
200206610/1(BR 2003, p. 1043), kent de wet geen rangorde tussen de procedure tot herziening van een bestemmingsplan en de procedure op grond van artikel 19 van Pro de WRO. De wetgever heeft met artikel 19, eerste lid, van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project. Anders dan appellanten betogen, valt niet in te zien dat de thans gevolgde procedure hen minder rechtsbescherming biedt. Nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de formele vereisten voor het toepassen van artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan, is de Afdeling van oordeel dat het college gebruik mocht maken van de wettelijke bevoegdheid de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19a van de WRO te starten.
200307139/1(AB 2005, 106) volgt uit het enkele feit dat beweerdelijk niet is voldaan aan de indieningsvereisten, zoals gesteld bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning, niet dat de bouwvergunning om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Het is aan het college om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit over de aanvraag te kunnen nemen. Voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit te kunnen nemen, is geen grond.