ECLI:NL:RVS:2006:AZ5981
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenrechtelijke beoordeling bescherming en asielaanvraag Colombiaanse vreemdelingen
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de afwijzing van asielaanvragen van twee Colombiaanse vreemdelingen vernietigde. De vreemdelingen vreesden vervolging door de guerrillabeweging FARC en beriepen zich op het asielbeleid en traumabeleid.
De rechtbank oordeelde dat de Colombiaanse autoriteiten onvoldoende bescherming boden, mede omdat de vreemdelingen niet het resultaat van het onderzoek afwachten en geen aangifte deden van latere incidenten. De minister stelde dat de autoriteiten wel degelijk maatregelen namen en dat de vreemdelingen onvoldoende hadden aangetoond dat effectieve bescherming niet mogelijk was.
De Raad van State stelt dat de minister niet op grond van het ontbreken van concrete resultaten hoefde aan te nemen dat de autoriteiten geen bescherming wilden of konden bieden. Het feit dat geen aangifte werd gedaan van latere incidenten en dat de vreemdelingen geen gebruik maakten van beschermingsprogramma's, was van belang. De enkele verklaring van de ombudsman was onvoldoende om het standpunt van de minister te weerleggen.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. De minister heeft op goede gronden geoordeeld dat geen verblijfsvergunning asiel kan worden verleend. Tevens is geoordeeld dat het traumabeleid niet van toepassing is op de situatie van de vreemdelingen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard en de afwijzing van hun asielaanvragen bevestigd.