Uitspraak
200508527/1als herhaald en ingelast te beschouwen verwijst de Afdeling naar de uitspraak van heden in die zaak (www.raadvanstate.nl), waarin dat hoger beroep ongegrond is verklaard.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo heeft appellant verplicht de recreatiewoning op een perceel af te breken of in overeenstemming met de bouwvergunning te brengen, vanwege overschrijding van de maximale nokhoogte en de aanwezigheid van een souterrain dat niet was toegestaan.
Appellant stelde dat het college de afwijkingen niet deugdelijk had vastgesteld en dat het college zijn handhavingsbevoegdheid had verwerkt door niet tijdig op te treden. Deze verweren werden door de rechtbank en de Raad van State verworpen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het enkele feit dat niet eerder werd opgetreden geen rechtsverwerking oplevert en dat het bestuursorgaan bevoegd was om bestuursdwang toe te passen.
Verder werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het niet-handhavend optreden van het college. Ook het betoog dat er concreet uitzicht op legalisatie zou bestaan op grond van een beleidsplan werd verworpen, omdat het souterrain niet aan de beleidscriteria voldoet.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Zutphen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit tot afbraak van de recreatiewoning is bevestigd.