Uitspraak
200408040/1, vernietigd.
200102250/1het besluit van 27 maart 2001 vernietigd, voor zover daarin het verzoek van appellant van 9 november 2000 tot vergoeding van schade tengevolge van ontgrondingswerkzaamheden die eerder zijn vergund, buiten behandeling is gelaten. In de uitspraak is overwogen dat verweerder het verzoek van appellant van 9 november 2000 voor zover het betrekking heeft op de ontgrondingswerkzaamheden waarvoor bij het besluit van 27 maart 2001 voor de eerste maal vergunning is verleend, in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
200408040/1het besluit van 9 september 2004 vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen.
200102250/1, diende verweerder te beoordelen of en in hoeverre de door appellant gestelde schade het gevolg is van ontgrondingsvergunningen die vóór 27 maart 2001 zijn verleend en of deze schade voor vergoeding in de zin van artikel 26 van Pro de wet in aanmerking komt. Verweerder is in zijn bestreden besluit daarentegen primair ingegaan op de vraag of de schade het gevolg is van de ontgrondingsvergunning van 27 maart 2001. Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding van appellant van 9 november 2000 ten onrechte te beperkt geïnterpreteerd.
200102250/1. In het deskundigenbericht is gesteld dat de analyse in het rapport "Advies ten behoeve van de zandwinning Borgmeren te Harkstede" dat naast de min of meer autonome factoren (bouw- en funderingswijze in relatie met de plaatselijke bodemopbouw) peilverlaging een relevante invloed heeft gehad op het zettingsproces, gedeeld wordt.