Uitspraak
200102250/1(JM 2002/131) dit besluit vernietigd voorzover daarin het verzoek tot vergoeding van schade tengevolge van de ontgrondingsvergunningen die vóór 27 maart 2001 zijn verleend, buiten behandeling is gelaten.
Raad van State
Appellant verzocht bij gedeputeerde staten van Groningen om schadevergoeding op grond van artikel 26 van Pro de Ontgrondingenwet vanwege zettingsschade veroorzaakt door ontgrondingsactiviteiten. Dit verzoek werd op 26 februari 2004 afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat verweerder het verzoek ten onrechte slechts beperkte tot schade veroorzaakt door de vergunning van 27 maart 2001, terwijl ook schade door eerdere vergunningen in de beoordeling betrokken had moeten worden.
De Afdeling stelde vast dat verweerder niet voldeed aan de eerdere uitspraak van 14 augustus 2002, waarin was bepaald dat het verzoek om schadevergoeding niet gedeeltelijk buiten behandeling mocht worden gelaten. Daarnaast ontbraken stukken van oude vergunningen, waardoor niet kon worden vastgesteld of voorschriften ter voorkoming van schade waren nageleefd. De stelling van appellant dat de schade sinds 1976 bestaat en mede veroorzaakt is door peilverlaging van oppervlaktewater werd onvoldoende weersproken.
De Afdeling concludeerde dat het bestreden besluit niet kon worden gedragen door de motivering en vernietigde het besluit. Tevens werd verweerder opgedragen binnen zes weken na openbaarmaking van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Proceskosten werden niet toegewezen, maar het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wordt vernietigd en de provincie krijgt zes weken om een nieuwe beslissing te nemen.