Uitspraak
200302060/1(Gst. 2005, 7221, 7) vormt de enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij alsnog binnen korte termijn daarvan gebruik zal maken, een redelijk belang dat ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning. Appellant heeft naar aanleiding van de mededeling van het college bij brief van 31 juli 2003 dat vóór 1 januari 2004 met de bouwactiviteiten moet zijn begonnen, in december 2003 een bouwbord geplaatst en een aanvang gemaakt met graafwerkzaamheden. Ter zitting van de Afdeling is gebleken dat appellant toen nog niet was overgegaan tot het plaatsen van een definitieve bestelling van de voor de bouw benodigde prefab-bouwelementen. In de omstandigheden dat appellant, na bij de graafwerkzaamheden in december 2003 op elektriciteitskabels te zijn gestuit, zijn activiteiten weer heeft gestaakt, zonder hiervan mededeling aan het college te hebben gedaan, en eerst op 28 april 2004 een gesprek heeft gehad met de elektriciteitsmaatschappij over de verplaatsing van de kabels, heeft de rechtbank terecht grond gevonden voor het oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat op korte termijn van de verleende bouwvergunning gebruik zal worden gemaakt, zodat het college in redelijkheid de bouwvergunning heeft kunnen intrekken.