ECLI:NL:RVS:2006:AV5065
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks bezwaar en disproportionaliteit
De vreemdeling werd op 18 januari 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens vermoedens dat zij zich aan uitzetting zou onttrekken. De rechtbank 's Gravenhage had deze bewaring op 1 februari 2006 opgeheven en de minister veroordeeld tot schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staandehouding onrechtmatig was en dat de bewaring onvoldoende was onderbouwd. De minister had terecht het vermoeden van onttrekking gebaseerd op het eerdere niet-rechtmatige verblijf van de vreemdeling en haar weigering terug te keren naar het land van herkomst. Het feit dat de minister bekend was met haar woonadres en schooladres vormde geen reden om af te zien van bewaring.
De Raad van State verwierp ook het betoog dat de bewaring disproportioneel was en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden opgelegd. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring.