ECLI:NL:RVS:2006:AV1833
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing verzoek Nederlanderschap op grond van artikel 10 RWN
De minister heeft een verzoek van de vreemdeling om verlening van het Nederlanderschap afgewezen op grond van artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), omdat niet werd voldaan aan de reguliere voorwaarden. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze afwijzing, waarop de rechtbank Rotterdam het besluit vernietigde vanwege onvoldoende motivering en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende terughoudendheid had betracht en de beoordelingsruimte van de minister te beperkt had geïnterpreteerd. De Raad van State overwoog dat de minister weliswaar beoordelingsruimte heeft, maar dat deze niet onbegrensd is en dat een weigering om af te wijken van de reguliere voorwaarden op grond van artikel 10 RWN Pro deugdelijk en kenbaar moet worden gemotiveerd.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 29 september 2005 niet deugdelijk was gemotiveerd en verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
De uitspraak benadrukt het belang van transparante motivering bij toepassing van uitzonderingsbepalingen in het vreemdelingenrecht en bevestigt de rol van de rechterlijke toetsing van bestuursbesluiten op dit punt.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende motivering van het besluit.