ECLI:NL:RVS:2006:AV1284
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging educatieve maatregel alcohol en verkeer na weigering medewerking onderzoek
Appellant werd door het CBR verplicht deel te nemen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) ter bevordering van zijn rijgeschiktheid. Dit besluit volgde op zijn weigering mee te werken aan een onderzoek zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, dat door het CBR ongegrond werd verklaard. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat het CBR op grond van artikel 8, eerste lid, onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid verplicht was de EMA op te leggen, omdat appellant niet meewerkte aan het onderzoek. Deze regeling laat geen ruimte voor belangenafwegingen zoals appellant die voor ogen had. Ook de kosten van de EMA komen voor rekening van appellant op grond van artikel 10 van Pro de Regeling.
De Raad van State benadrukt dat de bestuursrechtelijke procedure losstaat van de strafrechtelijke procedure waarin het Gerechtshof mogelijk rekening hield met omstandigheden van appellant. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de EMA bevestigd.