Uitspraak
200504266/1.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk verleende op 21 maart 2005 een milieuvergunning aan vergunninghoudster voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor metaalbewerking en montage. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit en voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder de vraag of de bedrijven van vergunninghoudster en een andere partij als één inrichting moesten worden beschouwd en de juiste toerekening van geluidbelasting.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bedrijven niet als één inrichting konden worden aangemerkt omdat zij zelfstandige B.V.'s zijn zonder organisatorische of functionele bindingen die een gezamenlijke inrichting vormen. Wel werd geoordeeld dat de heftruckbewegingen van vergunninghoudster op het binnenterrein van de andere partij ten onrechte aan vergunninghoudster waren toegerekend, terwijl deze aan de inrichting van de andere partij moesten worden toegerekend. Dit leidde tot vernietiging van het besluit voor zover het de vergunning voor deze heftruckbewegingen betreft.
Verder werden diverse bezwaren over geluidnormen, akoestisch onderzoek en trillingsonderzoek beoordeeld en afgewezen, waarbij de Afdeling oordeelde dat de gehanteerde methoden en gegevens redelijk en representatief waren. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard. De gemeente werd verplicht het betaalde griffierecht aan appellanten te vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor heftruckbewegingen ten behoeve van laden en lossen op het binnenterrein van een andere partij is vernietigd.