ECLI:NL:RVS:2005:AT9707
Raad van State
- Hoger beroep
- Ch.W. Mouton
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering urgentieverklaring wegens onbevoegd mandaat bij bezwaarprocedure
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde op 28 februari 2003 appellant een urgentieverklaring te verstrekken. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 4 december 2003 door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing op 15 oktober 2004 ongegrond.
Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling onderzocht ambtshalve of het besluit op bezwaar bevoegd was genomen. Zij oordeelde dat de heroverwegingsbevoegdheid op grond van artikel 7:11 Awb Pro binnen de directe invloedssfeer van het bestuursorgaan moet worden uitgeoefend en dat mandaat aan een Algemene Bezwaarschriftencommissie, die niet ondergeschikt is, niet is toegestaan.
De Afdeling concludeerde dat de rechtbank dit had miskend en verklaarde het hoger beroep gegrond. Het bestreden besluit van 4 december 2003 werd vernietigd en het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaard. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Afdeling het college tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant. De uitspraak werd op 20 juli 2005 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het besluit op bezwaar werd vernietigd en het college moest een nieuwe beslissing nemen.