ECLI:NL:RVS:2005:AT9696

Raad van State

Datum uitspraak
20 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500507/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen uitblijven besluit milieuvergunning

Appellante diende bezwaar in tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvragen om het college te dwingen een eerder ingenomen standpunt terug te draaien waarin werd aangegeven geen medewerking te verlenen aan besluitvorming zonder milieuvergunning. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en de rechtbank Almelo verklaarde het beroep ongegrond.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brieven van het college feitelijke mededelingen zijn en geen besluiten in de zin van de Awb. Evenmin waren deze brieven een weigering tot besluitvorming. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Verder betoogde appellante over de milieuvergunningprocedure, maar dit was niet relevant voor het geschil. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de Awb dit niet toestaat bij een ongegrond beroep. Er was ook geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarmee de procedure werd afgesloten.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

200500507/1.
Datum uitspraak: 20 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak no. 04/473 van de rechtbank Almelo van 14 december 2004 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.
1.    Procesverloop
Bij brief van 23 januari 2004 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvragen van 28 augustus 2003 en 12 november 2003 om een besluit, inhoudende het terugdraaien van het in de brieven van 11 februari 2003 en 20 augustus 2003 door het college ingenomen standpunt geen medewerking te verlenen aan welke besluitvorming dan ook totdat appellante een aanvraag voor een milieuvergunning heeft ingediend.
Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 december 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 februari 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 18 maart 2005 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2005, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.H.J. Vennegoor, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.                             Ingevolge artikel 6:2 van Pro de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:                                               a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en
b. het niet tijdig nemen van een besluit.
2.2.    Ter beoordeling staat de vraag of met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het college het door appellante gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.3.    De brieven van het college van 11 februari 2003 en 20 augustus 2003 zijn niet gericht op enig rechtsgevolg, maar behelzen een feitelijke mededeling, zodat de brieven niet als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Evenmin kunnen de brieven worden opgevat als een weigering een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2 van Pro de Awb. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college terecht het door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.4.    Hetgeen appellante verder in hoger beroep betoogt, ziet op de besluitvorming ter zake van de milieuvergunning en de melding op grond van de Wet milieubeheer en kan derhalve in het kader van het voorliggende geschil niet aan de orde komen. Dit betoog behoeft daarom geen nadere bespreking.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6.    Het verzoek van appellante het college te veroordelen tot vergoeding van de schade dient te worden afgewezen, reeds omdat artikel 8:73 van Pro de Awb niet de mogelijkheid biedt om schadevergoeding toe te kennen in het geval het beroep ongegrond is verklaard en de daartoe strekkende uitspraak van de rechtbank in hoger beroep wordt bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk    w.g. Steinebach-de Wit
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005
328-494.