Uitspraak
200105263/1heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd en bepaald dat het door appellant bij de Officier ingediende bezwaarschrift aan de Minister van Justitie (hierna: de Minister) wordt doorgezonden.
Raad van State
Appellant verzocht om openbaarmaking van documenten die verband houden met een convenant en faxberichten tussen het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en de politie. De Officier van Justitie en later de Minister van Justitie weigerden deze documenten openbaar te maken op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
Appellant stelde dat de rechtbank hem onvoldoende gelegenheid had gegeven om zijn standpunt toe te lichten, getuigen ten onrechte niet had gehoord en dat de processen-verbaal onjuist waren. De Raad van State oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen, dat het niet horen van getuigen terecht was omdat hun verklaringen niet relevant waren, en dat de processen-verbaal juist waren.
Verder stelde appellant dat de Minister de Wbp niet had mogen toepassen en de documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) had moeten verstrekken. De Raad van State oordeelde dat de documenten strafrechtelijke persoonsgegevens bevatten en dat de Minister terecht de Wbp toepaste. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de Minister over meer informatie beschikte dan reeds verstrekt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek tot openbaarmaking van documenten vanwege bescherming van persoonsgegevens.