Uitspraak
200402648/1, heeft de Afdeling, voorzover hier van belang, het besluit van 17 februari 2004, kenmerk 974757, waarbij verweerder het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 25 september 2003 ongegrond heeft verklaard, vernietigd. Bij dit laatste besluit heeft verweerder een verzoek van appellanten afgewezen om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot [vergunninghoudster], gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].
200200554/1, besluiten strekkende tot verlening van een oprichtingsvergunning voor deze inrichting heeft vernietigd vanwege onder meer onvoldoende onderzoek naar de naleefbaarheid van de geluidvoorschriften, mocht verweerder deze bedenkingen, die eveneens grotendeels betrekking hebben op geluidaspecten, niet buiten beschouwing laten bij de beoordeling van de vraag of concreet uitzicht op legalisatie bestaat. De Afdeling is daarom van oordeel dat verweerder met de verwijzing naar het op 9 juli 2004 ter inzage gelegde ontwerp van het besluit volstrekt ontoereikend heeft gemotiveerd waarom in dit geval concreet uitzicht op legalisatie bestaat, dat de weigering om handhavend op te treden rechtvaardigt. De verwijzing naar de controlerapporten van de RMD maakt dit niet anders, nu enkel uit het controlerapport van 19 september 2001 blijkt dat in de zomer van 2001 periodiek controles zijn verricht in verband met het openstaan van garagedeuren. Uit dit rapport blijkt bovendien niet hoe vaak, op welke wijze en op overtreding van welke voorschriften is gecontroleerd. Het bestreden besluit berust in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.