ECLI:NL:RVS:2005:AT3693

Raad van State

Datum uitspraak
13 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200408117/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W. Konijnenbelt
  • P.C.E. van Wijmen
  • J.H. van Kreveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:32 AwbArt. 7:12 AwbArt. 7:15 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering handhavingsmaatregelen geur- en rookhinder textielbedrijf

Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek om handhavingsmaatregelen te treffen tegen het textielbedrijf Artex B.V. vanwege geur- en rookhinder. Dit verzoek werd op 19 april 2004 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard. Appellanten stelden beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de inrichting onaanvaardbare geur- en rookhinder veroorzaakte, wat in strijd was met de verleende revisievergunning Wet milieubeheer. Het rapport van de GGD bevestigde tijdelijke verhoogde emissies met aanzienlijke overlast. Verweerder had echter onvoldoende gemotiveerd waarom handhavend optreden werd geweigerd, met name ontbrak een concrete termijn voor beëindiging van de overtreding.

De Raad van State oordeelde dat het bestuursorgaan in beginsel bestuursdwang moet toepassen bij overtredingen, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Omdat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat het weigeren van handhaving proportioneel was, werd het besluit vernietigd. Het college werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen en proceskosten werden aan appellanten toegekend.

Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek wordt vernietigd en het college wordt opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

200408117/1.
Datum uitspraak: 13 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2004 heeft verweerder het verzoek van onder meer appellanten van 7 april 2004 om krachtens de Wet milieubeheer handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van het textielbedrijf op het perceel Bosscheweg 79 te Aarle-Rixtel van "Artex B.V." afgewezen.
Bij besluit van 26 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 oktober 2004.
Bij brief van 4 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2005, waar van vijf appellanten in persoon en bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.M.T.M. Sprengers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord "Artex B.V.", vertegenwoordigd door drs. C. van Leeuwen, gemachtigde.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.2.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte het verzoek van 7 april 2004 om krachtens de Wet milieubeheer handhavingsmaatregelen te treffen heeft afgewezen, nu van de inrichting nog steeds geur- en rookhinder wordt ondervonden.
2.3.    Voor de onderhavige inrichting is laatstelijk bij besluit van 12 juni 2002 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. In de aanvraag, die blijkens het dictum van het besluit van 12 juni 2002 deel uitmaakt van de vergunning, is vermeld dat de inrichting geen geurhinder veroorzaakt. Verder moeten ingevolge voorschrift 5.1.2 van de vergunning uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in deze vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld, zodanig zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd, zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat de inrichting zowel ten tijde van het nemen van het primaire als van het bestreden besluit onaanvaardbare geur- en rookhinder heeft veroorzaakt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens het rapport van de GGD Zuidoost-Brabant van 29 juli 2004 bij bepaalde proces- en productcombinaties sprake was van een tijdelijk verhoogde aerosolvormige emissie, die aanzienlijke overlast in de directe omgeving van de inrichting veroorzaakte, in de zin van geurhinder en kortdurende, reversibele prikkeling van de ogen en/of de luchtwegen op het moment van aanwezigheid in een rookpluim. Partijen hebben deze conclusies van de GGD Zuidoost-Brabant als zodanig niet bestreden. In zoverre is dan ook gehandeld in strijd met de voor de inrichting verleende vergunning, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.
2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5.    Verweerder heeft de afwijzing van het handhavingsverzoek van 7 april 2004 onder meer gemotiveerd door te wijzen op de inspanningen van vergunninghoudster om de geur- en rookhinder te bestrijden. In het bestreden besluit heeft verweerder echter niet te kennen gegeven of en zo ja binnen welke termijn hierdoor de met de vergunning strijdige situatie zal worden beëindigd. Aldus heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd of handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan in het onderhavige geval behoorde te worden afgezien. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.
2.6.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.
2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voorzover appellanten hebben verzocht om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar door verweerder, wordt dit verzoek afgewezen, aangezien niet is gebleken dat appellanten overeenkomstig artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verweerder hebben verzocht om vergoeding van deze kosten.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het beroep gegrond;
II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek van 26 augustus 2004;
III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek op binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 753,41, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Laarbeek aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
V.    gelast dat de gemeente Laarbeek aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt    w.g. Plambeck
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005
159-399.