Uitspraak
200303261/1, heeft de Afdeling het besluit van 1 april 2003 vernietigd.
Raad van State
Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen tegen illegale activiteiten van belanghebbende op een perceel te Oostzaan, waaronder opslag van hout- en bouwmaterialen en bodemophoging met demping van een sloot.
Het college wees de verzoeken af, stellende dat het Besluit detailhandel van toepassing was en dat de overtredingen zouden worden opgeheven. De Afdeling stelde echter vast dat het Besluit detailhandel niet van toepassing was omdat de inrichting niet hoofdzakelijk aan particulieren verkoopt, waardoor de oude Hinderwetvergunning nog geldt en overtreden wordt. Tevens was het bodemonderzoek onvolledig, met onvoldoende diepte en onvoldoende onderzoek naar houtsnippers en asbest.
Verder concludeerde de Afdeling dat het gebruik van bouwstoffen in strijd was met het Bouwstoffenbesluit, omdat geen voorzorgsmaatregelen waren genomen om vermenging met de bodem te voorkomen. Het college had ook onvoldoende gemotiveerd waarom het niet handhavend optrad tegen mogelijke overtredingen van de Wet milieubeheer, het Besluit stortplaatsen en de Wet bodembescherming.
De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het handhaving betrof van genoemde milieuregels, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en onvolledig bodemonderzoek, en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.