Uitspraak
200205023/1, heeft zich in het onderhavige geval geen functieverandering in de zin van de Richtlijn voorgedaan en dat in dit verband de woning van appellant nog steeds als bedrijfswoning dient te worden aangemerkt. In hetgeen appellant thans op dit punt heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder behoefde de woning van appellant dan ook niet te betrekken in zijn beoordeling van de stankhinder. Nu blijkens de stukken het dichtstbijgelegen stankgevoelige categorie III-object op 156 meter van de inrichting is gelegen, wordt voldaan aan de bij het vergunde veebestand ingevolge de Richtlijn in acht te nemen afstand van 152 meter. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare stankhinder. Het beroep is in zoverre ongegrond.