Uitspraak
200407395/1.
Raad van State
Bij besluit van 20 juli 2004 verleende de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een vergunning aan de Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij voor mechanisch vissen op kokkels in het staatsnatuurmonument De Waddenzee. Diverse milieuorganisaties en onderzoeksinstituten maakten bezwaar tegen dit besluit. Verzoekster vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om ook tijdens de beroepsprocedure te mogen vissen.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er onvoldoende wetenschappelijke zekerheid is dat het mechanisch vissen in het najaar van 2004 geen significante negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Waddenzee, met name voor het bodemleven en vogelsoorten zoals de Kanoetstrandloper, Scholekster en Eidereend. De aangevoerde financiële noodsituatie van de kokkelvisserijsector woog niet zwaar genoeg om het verzoek toe te wijzen.
De Voorzitter wees het verzoek af en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten aan het NIOZ en de Waddenvereniging. Het oordeel is voorlopig en niet bindend voor de bodemprocedure. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige milieutoetsing en bescherming van natuurwaarden bij vergunningverlening.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vergunning voor mechanisch kokkelvissen in de Waddenzee wordt afgewezen.