Uitspraak
200200405/1(AB 2002, 27), heeft de Afdeling overwogen dat het toetsingskader van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer bij de beoordeling van de ammoniakdepositie en -emissie, buiten beschouwing blijft omdat de Interimwet en de Uitvoeringsregeling het exclusieve toetsingskader vormen. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat, aangezien de Interimwet geen garantie biedt voor een geïntegreerde aanpak en een even hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel, het niet uitgesloten moet worden geacht, dat het resultaat van vergunningverlening dat artikel 9, achtste lid, van de Richtlijn vereist, door toepassing van de Interimwet niet kan worden bereikt. Ten slotte heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld, dat de in artikel 9, vierde lid, van de Richtlijn opgenomen norm, in ieder geval wat betreft de grenzen van de aan de Staat gelaten beoordelingsvrijheid, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, zodat voor de nationale rechter in zoverre een rechtstreeks beroep kan worden gedaan op dit artikellid.