ECLI:NL:RVS:2004:AO7131
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-De Vin
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nadeelcompensatie Betuweroute wegens voorzienbaarheid planologische ontwikkelingen
De appellant verzocht om nadeelcompensatie vanwege schade veroorzaakt door de aanleg van de Betuweroute nabij zijn woning. De Minister van Verkeer en Waterstaat wees dit verzoek op 20 augustus 2001 af, gevolgd door een ongegrondverklaring van het bezwaar op 6 maart 2002. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant op 5 juni 2003 ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de schade niet redelijkerwijs ten laste van hem behoorde te blijven, maar de Raad van State oordeelde dat de planologische situatie en de aanleg van de Betuweroute voor een redelijk handelende koper op het moment van aankoop voorzienbaar waren. Dit werd onderbouwd met verwijzingen naar de vaststelling en ter inzage legging van het ontwerp-PKB Betuweroute, het kabinetsstandpunt, en de goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer, allemaal vóór de aankoopdatum.
De Raad van State bevestigde dat het beleid rond de kenbaarheid van planologische ontwikkelingen flexibel is, maar uiterlijk op 4 maart 1996 als bekend kan worden beschouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van nadeelcompensatie bevestigd.