ECLI:NL:RVS:2004:AO2452
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- D. Dolman
- A.L.M. Steinebach-de Wit
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening opheffing opschortende werking vergunning uitzaaien mosselen Oosterschelde
Bij besluiten van 24 september 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vergunningen verleend aan verzoeksters voor het uitzaaien van oesters en mosselen uit productiegebieden in Ierland en Engeland in het staatsnatuurmonument Oosterschelde-buitendijks, alsmede voor het opvissen van deze schelpdieren. Verzoeksters en de Stichting Faunabescherming maakten bezwaar tegen deze vergunningen en vroegen om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde de verzoeken op 9 januari 2004. Verzoeksters stelden dat het uitzaaien van mosselen en oesters uit deze gebieden geen schade toebrengt aan de natuur in de Oosterschelde, terwijl de Stichting Faunabescherming vreesde voor schade aan inheemse organismen en stelde dat toetsing aan de Habitatrichtlijn ontbrak. De Voorzitter beperkte de beoordeling tot het uitzaaien en opvissen van mosselen.
Het beleid van de Minister is gericht op het voorkomen van introductie van exoten, waarbij alleen schelpdieren uit boreale gebieden zoals Ierland en Engeland worden toegestaan. Uit onderzoek bleek dat deze gebieden ecologisch vergelijkbaar zijn met de Oosterschelde. De Voorzitter vond geen aanwijzingen dat de vergunning significante negatieve effecten zou hebben op beschermde natuurwaarden.
Daarom werd de opschortende werking van de bezwaarschriften opgeheven voor het uitzaaien en opvissen van mosselen, maar het verzoek tot opheffing van een specifieke voorwaarde in de vergunningen werd afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierechten aan verzoeksters.
Uitkomst: De opschortende werking van de bezwaarschriften tegen de vergunningen voor het uitzaaien en opvissen van mosselen in de Oosterschelde is opgeheven.