ECLI:NL:RVS:2003:AO0338
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D.A.C. Slump
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning bouw brug wegens onrechtmatige vrijstelling en ondeugdelijke belangenafweging
Het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen verleende op 2 juli 2001 een bouwvergunning en vrijstelling voor het bouwen van een brug achter een perceel, welke vergunning later werd gehandhaafd na bezwaar en beroep bij de rechtbank Utrecht. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat de vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) niet rechtmatig was verleend, omdat het project onevenredige afbreuk deed aan de functies en bestemming van het perceel van appellant en het aangrenzende vaarwater. De rechtbank had dit miskend.
Daarnaast was de belangenafweging omtrent de vergunning op grond van artikel 5.3.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) ondeugdelijk, omdat onvoldoende was onderzocht of de alternatieve vaarroute een onevenredige belemmering vormde voor appellant. Hierdoor was het besluit op bezwaar in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht genomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en veroordeelde het college in de proceskosten. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en het beroep bij de rechtbank wordt alsnog gegrond verklaard.