ECLI:NL:RVS:2003:AF8602

Raad van State

Datum uitspraak
14 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204368/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • J.H.B. van der Meer
  • F.P. Zwart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 13 Verordening op de kindercentra 1995
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last tot naleving personeelsnormen kinderopvang Den Haag

De stichting Algemeen Beheer en Bestuur Kinderopvang, handelend onder de naam Stichting Vill'ABB, stelde beroep in tegen een last van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college had de stichting op straffe van een dwangsom bevolen om het aantal aanwezige kinderen in overeenstemming te brengen met het aantal aanwezige functionarissen bij de vestiging aan de Stationsweg 170 te Den Haag.

De rechtbank te ‘s-Gravenhage had het beroep van de stichting ongegrond verklaard. De stichting stelde onder meer dat de last onjuist was geformuleerd en dat zij niet in strijd had gehandeld met artikel 13 van Pro de Verordening op de kindercentra 1995. De Raad van State oordeelde dat het college binnen de grenzen van de Verordening was gebleven door de last af te stemmen op het aantal aanwezige kinderen en dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de stichting niet voldeed aan de personeelsnormen.

Het hoger beroep van de stichting werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de stichting wordt ongegrond verklaard en de last tot naleving van personeelsnormen bevestigd.

Uitspraak

200204368/1.
Datum uitspraak: 14 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting “Stichting Algemeen Beheer en Bestuur Kinderopvang”, h.o.d.n. Stichting Vill'ABB, gevestigd te Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 juli 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan appellante op straffe van een dwangsom gelast om ten behoeve van de vestiging aan de Stationsweg 170 te Den Haag vóór 27 februari 2001 het aantal aanwezige kinderen in overeenstemming te brengen met het aantal aanwezige functionarissen.
Bij besluit van 17 september 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 juli 2002, verzonden op 17 juli 2002, heeft de rechtbank te ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. A.M. Christiaans, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank is appellante terecht niet gevolgd in haar betoog dat de last onjuist is geformuleerd. Het college is, door aansluiting te zoeken bij het aantal aanwezige kinderen en de last daarop af te stemmen, niet buiten de grenzen van de Verordening op de kindercentra 1995 (hierna: de Verordening) getreden.
2.2. Voorzover appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aanvaard dat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 13 van Pro de Verordening, door herhaaldelijk te weinig functionarissen in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen aanwezig te hebben, faalt dat betoog. Voor de motivering van dat oordeel verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 14 mei 2003, no. 200204372/1, welke is aangehecht.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2003
91-426.