ECLI:NL:RVS:2003:AF7607
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Y.M. van Soest-Ahlers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en afwijzing voorlopige voorziening
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is voor een grief die niet bij de voorzieningenrechter is aangevoerd, en dat de motiveringsplicht van de voorzieningenrechter niet vereist dat alle aangevoerde feiten afzonderlijk worden besproken. Het beroep op schending van artikel 6 en Pro 13 EVRM faalt omdat procedures omtrent verblijf en uitzetting van vreemdelingen niet onder artikel 6 EVRM Pro vallen.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.