ECLI:NL:RVS:2002:AF2858
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf na beroep tegen ministerieel besluit
Appellanten hebben bij de Minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), welke op 13 september 2001 werd afgewezen. Het bezwaar hiertegen werd op 29 maart 2002 ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank te ’s-Gravenhage het beroep van appellanten ongegrond op 5 september 2002. Appellanten stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het hoger beroep beperkt dient te blijven tot grieven die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd, hetgeen in deze zaak niet het geval was voor de meeste aangevoerde grieven. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de grieven die wel binnen de procedure passen, geen aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak. De aangevoerde uitzonderingssituaties binnen de referteperiode van vijf jaar, zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire, werden niet aannemelijk gemaakt.
Daarmee is het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 8 november 2002 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.