ECLI:NL:RVS:2002:AF2531
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- R.H. Lauwaars
- B. van Wagtendonk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling evenredigheid en rechtmatigheid van het verkeersbegeleidingstarief VBS voor scheepvaartverkeer
De zaak betreft het hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam inzake het verkeersbegeleidingstarief (VBS) voor scheepvaartverkeer. De agenten hadden namens hun vertegenwoordigden bezwaar gemaakt tegen de facturen voor het VBS-tarief, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet rechtstreeks belanghebbenden waren. De door hen vertegenwoordigde partijen werden door de rechtbank in het gelijk gesteld, maar de Inspecteur stelde hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om prejudiciële beslissing gevraagd over de verhouding van het VBS-tarief tot het vrije verkeer van diensten en de rechtmatigheid van de tariefstructuur. Het Hof oordeelde dat het VBS-tarief, mits er een daadwerkelijk verband bestaat tussen de kosten van de dienst en het tarief voor zeeschepen langer dan 41 meter, niet in strijd is met het EG-Verdrag.
De Afdeling heeft vervolgens beoordeeld of het tarief aan de evenredigheidseis voldoet en concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat kosten onjuist zijn toegerekend of dat het tarief een begrotingstekort dekt. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard, de beroepen van de door agenten vertegenwoordigde partijen worden ongegrond verklaard, en de uitspraken van de rechtbank worden vernietigd voor zover zij de beroepen van die partijen gegrond verklaarden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de door agenten vertegenwoordigde partijen is niet-ontvankelijk verklaard; het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond verklaard en de beroepen van de vertegenwoordigden worden ongegrond verklaard.