ECLI:NL:RVS:2002:AE8518
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.W. Groeneweg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning op grond van Dublinverordening
Appellanten hebben een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de Staatssecretaris van Justitie is afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en bevestigde de afwijzing.
Appellanten voerden aan dat verwijdering naar Duitsland zou kunnen leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, omdat de Duitse rechtspraak zich naar hun mening niet aan deze norm zou houden. Zij overlegden echter geen bewijs dat zij in Duitsland waren uitgeprocedeerd of dat er nieuwe feiten waren die een heroverweging rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitgaat van de veronderstelling dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen naleeft, tenzij concrete aanwijzingen het tegendeel aannemelijk maken. Aangezien appellanten geen dergelijke aanwijzingen hadden geleverd, werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.