ECLI:NL:RVS:2002:AE2530
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van ongeloofwaardig reisverhaal
De staatssecretaris van Justitie wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, omdat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn aanvraag was gegrond op rechtsgronden. De voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage vernietigde dit besluit en verklaarde het beroep gegrond. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom het reisverhaal ongeloofwaardig was en waarom de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat er rechtsgronden voor verlening van de verblijfsvergunning bestonden. Het ontbreken van reis- en identiteitspapieren kon aan de vreemdeling worden toegerekend. De Raad verwierp het oordeel van de voorzieningenrechter dat het reisverhaal volstrekt ongeloofwaardig was, maar dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het asielrelaas niet aannemelijk was.
De Raad stelde dat het onderscheid tussen reisverhaal en asielrelaas niet noodzakelijk was en dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd voor gegronde vrees voor vervolging. Ook was het oordeel dat de aanvraag niet in het Aanmeldcentrum kon worden afgewezen terecht. De uitspraak van de voorzieningenrechter werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.