ECLI:NL:RVS:2002:AE2294
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in zaak verblijfsvergunning alleenstaande minderjarige asielzoeker
Appellante had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige asielzoeker, welke door de Staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit, voor zover het betrekking had op de ambtshalve onthouding van de vergunning, niet-ontvankelijk. Appellante stelde hoger beroep in tegen een overweging van de rechtbank die niet dragend was voor het dictum.
De Raad van State oordeelde dat de grief van appellante zich richtte tegen een overweging die niet bindend was voor de uitspraak van de rechtbank en dat appellante daardoor geen belang had bij het hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 februari 2002.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.