ECLI:NL:RVS:2001:AD4988
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks ongewisse detentiedatum
Appellant werd na voorlopige hechtenis in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Hij stelde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid bij de voorbereiding van zijn uitzetting.
De Raad van State oordeelde dat omdat appellant nog in hoger beroep was tegen zijn strafrechtelijke veroordeling, de datum van ontslag uit detentie ongewis was. Hierdoor kon niet van de Staatssecretaris worden verlangd dat de uitzetting zodanig werd voorbereid dat deze aansluitend aan de detentie plaatsvond, zodat vreemdelingenbewaring achterwege kon blijven.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de vreemdelingenbewaring vanaf het begin niet onrechtmatig was. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring was vanaf het begin niet onrechtmatig en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.